vrijdag 4 augustus 2017

Gendertaal (2015)


Een persoonlijk voornaamwoord met maatschappelijke impact (in Zweden)

 

Op 15 april verschijnt de herziene editie van het Zweedse woordenboek. Afgelopen zomer, midden in de komkommertijd, raakte één lemma al bekend. Kennelijk is het zo spectaculair dat het nu weer aandacht krijgt. Tussen 13.000 nieuwe Zweedse woorden zal één persoonlijk voornaamwoord schuilgaan: hen. Het wordt ervaren als een pas ontdekte planeet. Misschien is het zoveel aandacht waard, omdat het voor de derde persoon enkelvoud geldt. Daarmee krijgt het oude koppel han en hon, respectievelijk ‘hij’ en ‘zij’, gezelschap van iets bovengeslachtelijks dat ik maar even vertaal met ‘men’.

In vaktermen is dat nieuwe woord genderneutraal. Er valt niet mee te bepalen of iets mannelijk of vrouwelijk is. Dat blijkt geen geringe operatie geweest. Tien jaar hebben Zweedse academici gewikt en gewogen. Aan dat geduld kan zelfs de Oxford English Dictionary niet tippen, laat staan dat laaglands innovatiegeweld een andere dan anekdotische indruk maakt. In dit specifieke geval komt het Nederlands, naast het onpersoonlijke ‘men’, niet verder dan ‘hij of zij’ – een even beleefde als krachteloze verlegenheidsoplossing.

In Zweden voorziet hen al enige tijd in een behoefte. Het is aanlokkelijk hier een persiflage op de wetten van vraag en aanbod in te vermoeden. Wie houdt zich in hemelsnaam met zulke beuzelachtige details bezig? Maar je hoeft geen Zweed te zijn, of in hon een honnepon te horen, om te begrijpen dat er iets meer aan de hand is. Meer ook dan transseksualiteit.

In het Nederlands bestaan er voor de derde persoon enkelvoud vier opties: hij, zij, men en het. Hun verdeling is echter niet evenredig. Dat merk je al wanneer je er een bezittelijk voornaamwoord bij gebruikt. Een vrouw heeft haar neus, terwijl een man en men en een koekjesmonster allen zijn neus hebben. Zowel het quasi-neutrale ‘men’ (dat officieel naar levenden verwijst) als het quasi-neutrale ‘het’ (dat officieel op levenloze dingen verwijst) slokt elke vrouwelijke aanspraak op. Ze blijken een verkapt hij. Meer blauw dan roze: het is even irritant als beschamend dit te moeten vaststellen.

Ik vrees dat ik uit ervaring spreek. Ooit ontwierp ik een gedichtenpersonage, dood vogeltje, waarvoor ik geen geslacht wilde reserveren. Om het vogeltje helemaal onzijdig te houden, zocht ik mijn toevlucht tot een, naar ik meende, nieuw bezittelijk voornaamwoord: ‘Op langer aanhoudende barre momenten denkt dood vogeltje dat alles wat het tegenkomt over het gaat (op hets poedelnaakte situatie van toepassing is).’

Menig lezer vond deze oplossing kunstmatig. Maar ze was goedbedoeld, zij het niet goed genoeg. Tijdens het maken van de poëziebundel betrapte ik me erop dat ik over het personage soms dacht als een mannelijk wezen. En bij interviews sprak ik soms met ‘hij’ en ‘hem’ over dood vogeltje. Taal wreef me in dat ik echt een mannetje bén. Vanuit die positie schep ik niet alleen privé maar ook in het openbaar een vertekende wereld.

woensdag 19 april 2017

Bas Heijne (2017)


‘Deden ze dat bij mij ook maar eens!’


In het geweld van teksten vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen ging een boekje van Bas Heijne een beetje verloren. Toch doet hij in Staat van Nederland een aantal opmerkelijke beweringen – in het licht van de maatschappijdiagnoses die hij sinds 2001 als columnist van NRC Handelsblad wekelijks stelt. Hij gebruikt nu een beeld dat amper nog als beeld wordt ervaren. Door de samenleving zou een ‘breuklijn’ lopen die ‘alleen maar dieper’ wordt. Zo kan Heijne twee kampen benoemen, plus een sfeer van polarisatie. En omdat de ondertitel luidt Een pleidooi, dwingt hij zichzelf een remedie te vinden.
Terecht ziet Heijne ‘een harde clash tussen verschillende manieren van naar de wereld kijken, verschillende opvattingen over wat een goede samenleving is’. Nieuw in zijn denken is de erkenning dat de grondtoon van deze strijd mogelijk sociaaleconomisch is, maar zeker ‘inmiddels ideologisch: universalisme tegenover nationalisme, gelijkheidsdenken tegenover groepsdenken, het streven naar gezamenlijkheid tegenover identaire eigenheid’. Vermoedelijk hebben alle eerste termen van de tegenstelling Heijnes voorkeur.
Hij veronderstelt dus het bestaan van iets schier achterhaalds dat in de jaren zestig en zeventig ‘het systeem’ werd genoemd, gedragen door ‘structuren’. Van die invalshoek moest Heijne nooit veel hebben, reden waarom hij gold als een gematigd links criticus van idealistisch links. Hij zocht evenwicht. Bij elk hooggestemd idee dat de werkelijkheid zou vertekenen, plaatste Heijne nuchter commentaar. Zo ontstond tegelijk begrip voor behoudender geluiden. In Staat van Nederland doet hij dat uiteindelijk ook, maar moet hij voor zijn balans grovere middelen inzetten. Het zijn nu exclusief populisten die door Heijne worden betrapt op sympathie voor griezelige post-truth-leiders.
Intussen staat zijn cursief ideologisch er toch maar, net als in het besef dat het marktdenken ‘ons, zo leek het tenminste een lange tijd, van de verplichting [heeft] ontslagen in morele termen over onze samenleving na te denken’. Ik vind zulke kwalificaties vanzelfsprekend. Bij Heijne lijken de cursieven met terugwerkende kracht zijn relativeringspraktijk te ontmantelen. Kennelijk valt niet elke gebeurtenis terug te brengen tot onhysterische proporties.
Heijne verklaart zijn breuklijn uit een gebrek aan luisterbereidheid, een eigenschap die voor hem – en voor David Van Reybrouck – cruciaal is geworden. Wat hij opvangt is ‘vooral een eindeloze reeks zelfuitingen, in naam van de narcistische overtuiging dat het er slechts om gaat om gehoord te worden’. Olijk ontwaart Heijne het recept van ‘zelfrijzende verontwaardiging en ontsteltenis’, niet toevallig bij alle tweede termen van zijn tegenstelling. Dit gedrag openbaart zich volgens hem bij uitstek op één medium: het internet.
De voorrang van emoties fnuikt wat Heijne ‘het debat’ blijft noemen. Pas wanneer de strijd met andere wapens en termen gevoerd wordt, zou er iets gunstigs met de breuklijn gebeuren.

Ideologische eerlijkheid
Staat van Nederland ambieert een ware uitwisseling van ideeën, zonder stemmingmakerij. Bij zo’n debat loont het om de gemelde begrippenparen ook historisch te funderen. Heijne rekent zichzelf tot de nazaten van de Verlichting (voor de vijanden: gutmenschen, politiek correcten), terwijl nationalisten (voor de vijanden: populisten, racisten) een Contraverlichting propageren. Beide partijen koesteren een meer of minder onbeschroomd geuite sympathie voor verworvenheden van het Westen. Het betreft hier voor de goede orde zo’n 12% van de wereldbevolking.
Ik betrapte me erop bij de lectuur te wachten totdat Heijne een derde in zijn betoog binnenliet om het huidige perspectief te kaderen. Na zo’n vijftig bladzijden was er inderdaad de entree van Johan Huizinga. Diens veroordeling van ‘puerilisme’ trekt Heijne door naar een kinderachtige, onoprechte houding in het debat. Dan doelt hij op het verdoezelen van aspecten aan het hete hangijzer en om het wegmoffelen van consequenties. Ook het niet-aflatend blameren van tegenstanders heet vruchteloos infantiel. Door alles in het persoonlijke te trekken, voelt men zich snel beledigd en schept er anderzijds schijnbaar genoegen in anderen te grieven. Wel krijgen debatten zo trekken van fitties. Dat is een etiket van Heijne zelf, afkomstig van het door hem misprezen internet.
Hij verlangt daartegenover ‘ideologische eerlijkheid’. Daar horen zelfcorrecties bij omdat ‘je tegenstander, hoe hard en vijandig ook, altijd wel ergens een punt [heeft]’. Een cruciale constatering, waarvoor moed en oprechtheid nodig zijn. En inderdaad luisterbereidheid. Misschien is het beste voorbeeld wel het humeur dat in de maatschappij heerst. Heijne refereert aan onderzoeken waaruit blijkt dat Nederlanders tevreden zijn over eigen leven maar inktzwart over hun samenleving. De stap vooruit die Heijne zet, is dat hij die onvrede niet wil afdoen als apocalyptische aanstellerij. Hij sluit die perceptie in. Welvaart hoeft immers niet bepalend te zijn voor samenhang en binding.
Recent berichtte het Sociaal Cultureel Planbureau inderdaad dat ondanks de economische voorspoed het pessimisme groeit. Onder laagopgeleiden welteverstaan, met minder kapitaal. Ze voelen zich in de steek gelaten door de politiek en hadden vaak PVV gestemd. Optimisten zaten in de hoek van Groenlinks en D66. Indien mensen toch ingedeeld moeten worden, dan zou dit begrippenpaar wellicht nog het meest verhelderen.
Misschien laat Staat van Nederland als geheel zien dat Heijne heeft moeten groeien in de consequenties van zijn ideologisch-debat-gedachte. Vroeg in het boek onderwerpt hij een nationalistische blogtekst van Gerard Joling aan een fact check. Dan blijkt er speling met de werkelijkheid. Maar wat beoogt Heijne met die uitkomst? Perceptie hoeft toch niet overeen te komen met een dagelijkse gang van zaken? Bas van Stokkom heeft daar in de studie Wat een hufter! vele voorbeelden van gegeven.
Dat statistieken niet voor iedereen als medicijn of evangelie fungeren maar veeleer als leugenfabriek, zegt Heijne verderop nota bene zelf: ‘Feiten zijn goed voor onze nuchterheid, maar je zult er geen breuklijn mee dichten. Het gaat niet om feitelijkheid versus emotioneel impressionisme’. Dit citaat weerspiegelt meteen de kwaliteit van Heijnes taal. De eerste zin geeft achter de komma een snelle perspectiefwisseling te zien, de tweede gebruikt met ‘Het gaat om’ een bijna autoritaire stijlfiguur die in Staat van Nederland dikwijls voorkomt (het boekje normaliseert de term ‘insteek’).
Heijne moet ook wel toegeven dat feiten beperkt houdbaar zijn, omdat door zijn ideologische frame woorden een amper te beheersen lading hebben. Toch kan hij het niet laten in het PVV-verkiezingsprogramma een aandrang te bespeuren om Nederland te veranderen in ‘een gesloten inrichting’. Die uithaal frappeert mede omdat Heijne als grootste tegenstander van Wilders de man zelf ziet. Deze schoffeert andersdenkenden zo grondig, dat zij niet meer tot samenwerking bereid zijn: ‘Wilders’ taal is zijn eigen cordon sanitaire, een permanente verbale high van woede en wraakzucht’. Hier toont Heijnes taal beperkingen die ik populistisch zou noemen.


zondag 5 maart 2017

Emojipoëzie (2017)


Drie sofismen



🙃
Het went wel maar het zal nooit wennen


😢
Dan had je maar niet geboren moeten worden

  
😍
Foutloos hoeft niet als het maar volmaakt is


vrijdag 9 oktober 2015

Punt. Wat zeg je? (2015)

 
 


ISBN 978 94 6001 407 9, 80 blz.
Cd ingesproken door Marc Kregting (Daisy 23299)
Vormgeving: Mulder van Meurs
 

‘Oké, we beginnen. Ernst, ik heb het tegen jou.’
 
‘Vandaag gaan we het hebben over… Bram, stil.
Vandaag hebben we het over… Sissi, ik bid je.
De grote vraag is dus… Amélie, op je stoel.
Het thema van vandaag… Jenny! Wat doe je?
Sissi, weer jij! Dus de Khoikhoi... Stan, toe nu.
Oké, wie van jullie weet… Cassius, jongen toch.
Er zijn dus de Khoi... Godeliefje, nee, laat me.
De Khoikhoi zijn raar. Dus wat zou ik, Victor?
Hebben jullie eens een woord… Stan, ook jij?
Noem het een volk, Frederik, een raar volkje.
De vraag, het thema… Osip, morgen kan ook.
Waar hebben we vandaag… Adelheid, alsjeblief!
Weet je wat jullie zijn? Nou? Hallo! Hallo?’
 
‘Ik krijg van jullie, echt, ik krijg een punthoofd.’
  

Iedereen die schrijft, gebruikt wel een punt. Je zet dat teken aan het eind van een zin. Dan is die voorbij. Maar wat is een punt eigenlijk? Marc Kregting had niet meteen een antwoord. Daarom schreef hij een boek. Allerlei soorten tekst kwamen langs: een brief, een sprookje, een grap,... Kregting droomde ervan zijn boek af te sluiten zonder punt, en met het langste woord uit het Nederlands. Zo werd Punt een grappig boek. Met een open einde?

‘We gebruiken allemaal punten aan het einde van een zin. De zin is klaar. Marc Kregting vraagt zich in zijn verhandeling af wat die punt eigenlijk is, weet niet direct een antwoord en tapt vervolgens uit verschillende vaatjes om helderheid te verschaffen.’ (Wim Brands, vpro gids)
‘Een manco is dat de auteur in zijn associatiezucht vaak doorschiet. Van de aanstekelijk docerende leraar ontpopt hij zich meer en meer als een dichter die allerlei tekstuele capriolen uithaalt die zijn lezers niet altijd zullen verstaan. Citaten van auteurs als Wittgenstein, Artaud en Mandelstam zijn daarbij te moeilijk. Didactisch verantwoord is het boekje niet. Het blijft een vermakelijk taalspel, tenminste als je de dichter volgen wilt. Verschillende lettergroottes. Geen aanrader. Moeilijk te categoriseren: deels informatief/deels poëtisch-cabaretesk; deels voor jeugd/deels voor volwassenen.’ (L. Torn, NBD Biblion)  

donderdag 24 september 2015

Joost Zwagerman (1993)


De prinsenkinderen van Joost Zwagerman


Het laatste dat ik over hem hoorde, betrof eigenlijk een nationale bekendheid wiens naam me is ontschoten. Zwagerman zou hem (en de componist-vertolker van o.a. 'Moon over Bourbon Street') in Vals licht te herkenbaar hebben afgebeeld als hoerenloper. Hoe het afliep, weet ik niet meer precies. Iets met een grof schandaal en wijzigingen in de zoveelste druk. In elk geval hadden de media te doen en las een respectabel aantal mensen weer eens een boek, al telde het maar een halve pagina.
Voor je nog zou gaan denken dat Joost Zwagerman en geeuwrumoer wat met elkaar hebben, is het maar gelukkig dat die roman Vals licht (1991) het conflict tussen het hogere en het lagere thematiseert. De vormloze aanstichter tot dit drama is decennia eerder gelokaliseerd in Radiguets Le diable au corps (dat op de achterflap van Zwagermans debuut De houdgreep reeds ter sprake kwam): 'Mijn liefde stelde alles in een vals licht.' Zwagerman biedt in zijn meest recente werkstuk vaardig diverse verschijningen van dit beeld. Letterlijk wanneer de hoofdpersoon Simon Prins op jeugdige leeftijd met zijn oog tegen een fietsstuur slaat, in de raamverlichting van de peeskamertjes die prostituees als zijn geliefde Lizzie Rosenfeld moet flatteren en in Lizzies privé-domein de 'onderwaterkamer', een fenomeen dat Zwagerman aan de contemporaine film Mermaids kan hebben ontleend. Uit de onderwaterkamer wordt daglicht geweerd. Overdrachtelijk staat vals licht voor de schijnbare intimiteit tussen hoer en klant, het 'schaduwbestaan', voor het netwerk van leugens die Simon in de loop van de roman, al dan niet met hulp van Lizzies psycholoog Martin van Doorn, ontmaskert. Hij bereikt de waarheid achter haar leven en daarmee achter hun liefde – die breekt. Weer een stap verder vertegenwoordigt vals licht kitsch ten opzichte van het oorspronkelijke, om uiteindelijk te stranden bij begrippenparen als schijn en wezen, verbeelding en werkelijkheid. De algehele uitvergroting wordt op talig vlak ondersteund door de stijlfiguur pars pro toto. Een man met een baard heet bijvoorbeeld 'de baard'.
Niet alleen door deze kunstgrepen lijkt de Zwagerman van Vals licht op A.F.Th. van der Heijden. Ik vermoed dat Lizzie Rosenfeld te beschouwen is als een jarentachtigversie van Milli Händel uit De gevarendriehoek. Beiden zijn afkomstig uit Brabant, kennen niet de meest ideale ouders, studeren in Nijmegen en hebben zoiets als een eetprobleem. Ik wijs ook op wat minder persoongebonden parallellen. Waar bij Van der Heijden Albert op meerdere fronten 'impotent' heet, is in Vals licht Lizzie buiten werktijd 'gesloten'. Haar sexueel-therapeutische spelletjes met Simon doen denken de door Masters & Johnson verantwoorde pogingen van Albert en Marike de Swart. Wanneer het dan tot gemeenschap komt, geschiedt dat bij fysiek ongemak: Simon heeft griep, Marike herstelt van een abortus. En na de ban gebroken is, wordt er kinderlijk genoten van de ontheiliging in diverse variaties (Simon vergelijkt het wisselen van standje met het inruilen van de ene religie voor de andere). Misschien is het hierom dat Zwagerman de oorspronkelijke achternaam van Simon, Witschge[1], heeft veranderd in Prins – als saluut aan Van der Heijden die zichzelf soms half-ironiseert met 'prins van den bloede'. Misschien, maar ik denk van niet.

vrijdag 28 november 2014

Onze Nietzsche. Catechismen (2014)



ISBN 9789079202270
Eerste druk 40 blz. + cd (26 tracks)
Tweede druk (juli 2016) 48 blz.
Grafische vormgeving www.gestalte.be

Zeg, weet jij misschien wie zwanger gaat van? Het is de zee die het land heeft opengeslagen. Wil zij soms echt souperen met de engeltjes? Een haring beminnen, oesters op zandgrond. Leden van de commissie of een medefirmant? Veel tunnels vormen een aanslag op het licht. Bepaalde dingetjes dus, milddadig gestemd? ‘Hochmut, zeer aangenaam, met ha oo see ha.’ Is dit dan nog de tijd van explicatie in hout? Rigide moraal, op flakkeren de bordjes nu. Wil jij weten waarom natuurlijk verreweg de vettigste getallen elektronische hufters zijn? Luister dan naar het verhaal van de heer die per abuis zijn eigen bratwurst had ingeslikt.

Met Onze Nietzsche voltooit Marc Kregting zijn poëzieproject. Hij begon het twintig jaar geleden, met de bundel De gezel. Daarin monteerde hij onrijpe stemmen. Eindelijk zijn ze zelfstandig geworden. Ze redetwisten over iemand die zich voorstelt als ‘Hochmut, met ha oo see ha’.
Onze Nietzsche ent zich op de catechismus. Het speelt een vraag- en antwoordspel. Daarvoor moet een soms halsbrekende tocht door de cultuurgeschiedenis worden aanvaard. Gelukkig zijn er reisgenoten – figuren die af en toe zo vertrouwd zijn dat hun voornaam volstaat.
Uit zijn vroegere poëzie heeft Marc Kregting de meligheid behouden. Hij voerde één wijziging door. Zijn regels braken altijd willekeurig af, met als criterium dat ze even lang waren als de vorige en de volgende. Nu is de voorbarige rechterkantlijn weg.
Er resteren inderdaad stemmen, vier in totaal. De partituur van Onze Nietzsche werd openbaar voorgedragen door F. van Dixhoorn, Els Moors, Kila & Babsie. Zij vullen de geschreven tekst aan, zodat ook een gemeenschap van niet-lezers kan terugluisteren.


‘er worden consequent zinnen na elkaar geplaatst die qua betekenis met elkaar botsen, waardoor de lezer zich ervan bewust wordt dat ook communicatie niet losstaat van machtsstructuren (…) Opvallend aan de performance is niet alleen dat de verschillende stemmen sterk van elkaar verschillen, maar ook dat de declamatoren veranderingen in Kregtings tekst hebben aangebracht. Zowel die heterogeniteit als dat loslaten van de oorspronkelijke” tekst versterkt in hoge mate het meerstemmige karakter van Onze Nietzsche. (…) Het lijkt weinig zin te hebben klassieke persoonsbeschrijvingen van deze figuur te maken: met de coherentie tussen de zinnen verdwijnt ook de zogenaamde eenheid van de protagonist uit het zicht. “Onze Nietzsche” is al net zo’n open systeem als de rizomen van “Deleuze Gilles”, met wiens filosofie de denkbeelden van Nietzsche verwisseld lijken te worden (…) zonder poëtische catechismen als die van Kregting rest alleen de banaliteit van de commerciële televisiecultuur, en meer in het algemeen van de laatkapitalistische consumptiemaatschappij waarvan die een uitingsvorm is.’ (Jeroen Dera, Poëziekrant)
‘Geconcentreerd lezen, zin na zin, herlezen, pogen er een coherent verhaal van te maken, zoeken naar metaforen, citaten traceren, het levert allemaal weinig op. Het wonder is echter dat je blijft lezen, steeds opnieuw. Blijkbaar is het intrigerend genoeg om boeiend te blijven, bovendien heeft de dichter een feilloos gevoel voor klank en ritme, zodat het een genoegen is de wartaal voor je uit te prevelen. (…) Door de filosoof met de hamer ‘onze Nietzsche’ te noemen, heeft Kregting hem gedomesticeerd. Weerloos loopt hij rond in een onbegrijpelijk universum van economische en politieke chaos, blatende media, seks en popmuziek, fascisten en elohisten, katten die kraaien als hanen en papegaaien die sterven (‘je had de ezel opgegeten en de pinguïn laten staan’). Misschien mogen we de papagaai associëren met de beroemde sketch van Monty Python, want Kregtings absurde, soms oerflauwe grappen vormen een belangrijk bestanddeel van de tekst. Het gebrek aan coherentie binnen een wereld die ondanks alles als de onze herkenbaar is, duidt op een visie die tegelijkertijd pessimistisch én vrolijk is. (…) God is dood, maar de kosmos is er niet minder bezield om geraakt.’ (Piet Gerbrandy,
De Groene Amsterdammer

'Weliswaar is de tekst zo opgebouwd dat je na enige tijd leidmotieven gaat ontdekken, maar het geheel verzet zich radicaal tegen interpretatie. Opmerkelijk genoeg is deze chaos niet alleen hoogst vermakelijk, maar werkt hij zelfs bezwerend. Dat komt door de ritmische kwaliteit van de afzonderlijke zinnen en de klankherhalingen waarmee ze aan elkaar zijn gekoppeld, die ervoor zorgen dat de tekst op auditief niveau niet uit elkaar valt (...) Niettegenstaande de vernietiging van de meeste aspecten die poëzie de laatste eeuwen tot poëzie hebben gemaakt,  handhaaft Kregting juist het voornaamste element dat ten grondslag ligt aan de poëtische ervaring, en dat is haar fysieke manifestatie' (Piet Gerbrandy, The Low Countries)
‘Behalve stemmen die vragen stellen en antwoorden formuleren, is er in Onze Nietzsche ook een commentaarstem aanwezig die een toelichting verwoordt en in de tekst soms tussen haakjes staat. In tegenstelling tot de catechismus, waarin via vragen en antwoorden een samenhangend inzicht wordt geboden in de leer, krijgt de lezer van Onze Nietzsche geen coherente tekst, maar taalfragmenten voor ogen, waaraan hij veelal zelf betekenis moet toekennen. (…) Zoals in zijn vorige bundels onderzoekt Marc Kregting in Onze Nietzsche de taal in de denkkaders aangereikt door filosofen en critici als Roland Barthes, Gilles Deleuze en Jacques Derrida. “Jacques heeft ook geprobeerd om ‘te begrijpen wat er nu precies aan gene zijde van de taal gaande is en wat ons drijft tot dat eindeloos herhalen zonder dat we weten waarover we het hebben, precies daar waar de taal en het begrip op hun grenzen stuiten’.” Kregting citeert hier de deconstructionist Derrida die onder meer het begrip ‘dissémination’, uitzaaiing van betekenissen, lanceerde om de ontoereikendheid van de taal aan te geven en het onvermogen van de mens om definitieve uitspraken te doen over de werkelijkheid, want dingen verwijzen altijd naar andere dingen in een eindeloze keten.’ (Joris Gerits, Streven)
'Buitenbeentje' (Frank Hellemans, Knack)
‘Nietzsche maakt in de laatste bundel van Marc Kregting bepaald geen soevereine, maar veeleer een meelijwekkende en seniele indruk. (...) De pointe blijft eeuwig uit. Hoewel de zinnen op zichzelf vaak glashelder zijn, vormen ze samen een volslagen opaak oppervlak. Ook in de rol van Nietzsche spiegelt zich deze educatieve leemte. (…) Als de tekst niet tot één redenaar terug is te voeren, doe ik net alsof ik in een drukbezochte ruimte ben waar ik uit het rumoer slechts flarden van gesprekken opvang. Het resultaat is een polyfonie vol onnavolgbare prietpraat en abjecte vanzelfsprekendheid, waarin Nietzsche telkens weer opduikt alsof hij een trending topic is op twitter. Seculiere massacatechese. Het laatste restje hoop op Bildung lijkt vervlogen. (…) Een clown in een circus is niet eng, een clown in een donkere hoek van je kamer is dat wel. De intentie is zoek. Wat moet die clown daar? Zo gaat er van de meest gelikte zinnen van Kregting ook iets unheimlichs uit. (…) Niet Dionysos, maar Apollo, god van redelijk begrip en common sense, is hier aan het werk. (…) Eenmaal ontmanteld zien we de letters, de trucage waarmee de alledaagse taal zich een weg uit de werkelijkheid probeert te banen. Dit is een veelheid op zich, maar de veelheid van de totale werkelijkheid? Er dreigt – dan toch – eenduidigheid. Eenduidigheid die misschien het meest tot uiting komt in het vermoeden van een schrijverstrucje. Is het mogelijk zo gevarieerd de gemeenplaats te destabiliseren dat nergens herhaling optreedt; zonder automatismen die de bedoeling van de schrijver verraden? Zodra de opzet bloot komt te liggen is er geen sprake meer van pure, letterlijke, functieloze taal.’ (Tiemen Hiemstra, nY)
‘In een geruststellend parlando raakt de gewone logica buiten zicht. Alsof het een Zen-oefening betreft, is de lezer het vertrouwde ‘proza-houvast’ spoedig kwijt. Hij moet zich gaan verlaten op het associatieve en op zijn ergernis of gevoel voor humor. De Nietzsche-figuur schuifelt onnadrukkelijk door bijna alle tekstjes heen. Hij heeft behalve de associaties bij zijn naam geen duidelijk profiel. Hij lijkt vooral een projectie van de humoristische mens Kregting zelf. Een manier om gekkigheden aan te jagen en om de gemonteerde frasen, oneliners en quotes een soort kader te geven. (…) Op sommige plekken tintelen de meligheden wel een glimlachje los. Maar de meel van molenaar Kregting blijft maar stuiven en stuiven door je bovenkamer. Door de mechanische overdaad wordt er geen ironisch poëtisch gebied blootgelegd.’ (Erick Kila, De VVL-Boekhouding)
‘Door inhoudelijke verbanden en syntactisch correcte constructies wekt de tekst de impressie dat er werkelijk iets verteld wordt. Alleen lijkt elk woord vervangen door een ander en transformeert het onderwerp van zin tot zin. Meer dan een montage lijkt het alsof Kregting los door taal knipt. (…) Een zin als “fun met onze Nietzsche, fun met onze, fun met” flirt met de meest basale inspiratieloosheid. Kregting is een auteur die zichzelf niet altijd serieus neemt en dat hoeft ook niet. Maar humor moet nog steeds prikkelen en experiment bedriegt zichzelf wanneer het zijn spelelement ontmaskert. (…) Zodra enige stabiliteit dreigt te ontstaan, brokkelt het weer af. Niets kan voorverpakt zijn, niets mag vanzelfsprekend zijn. Zo herstelt Kregting taal in haar oorspronkelijke macht: betekenisgeving uitlokken zonder die te satureren. Deze ontwrichting van de taal is niet zomaar bevreemdend. Ze is bevrijdend. Ze is een explosieve, schalkse en poëtische ontketening.’ (Maarten Luyten, Meerkat Magazine)
‘Het lijkt erop dat Kregting jarenlang massa’s zinnen en (tijdsgebonden) begrippen heeft gecatalogiseerd uit politieke toespraken, nieuwsberichten, filosofische essays, kinderlijke en regionale songteksten, columns, manifesten, dialogen en uitdrukkingen waaraan bepaalde gevoeligheden kleven en die in deze teksten vervolgens op een logisch klinkende maar niet rationeel te duiden manier aan elkaar heeft geknoopt. Je blijft doorlezen, dus ergens moet het kloppen – wellicht vooral in het ritme en geluid, terwijl de inhoudelijke sprongen binnen een en dezelfde zin soms werkelijke onverklaarbaar groot zijn – of missen we een link, zo denken we steeds: net als in het echte leven’ (Griet Menschaert, Gonzo)
 

‘een sterke, conceptuele en erudiete bundel. Met een ongekend rijk taal- en observeringsvermogen rijgt Kregting associaties, neologismen, referenties aan de actualiteit en alle denkbare cultuuruitingen aaneen. Het taalplezier dat hier vanaf spat, speelt soeverein met de behoefte van de lezer om van al die rijkdom aan stemmen en registers een geheel te maken.’ (nominatierapport Herman de Coninckprijs)
‘En spreek de titel eens op zijn Brabants uit, zodat de essen en zetten amper van elkaar te onderscheiden zijn, dan klinkt die eerder als onze niesje, oftewel, weer vertaald naar een chiquere spelling, onze niche. En is dat niet de plek waar de term marktdenken niet bepaald als contradictio in terminis geldt? (…) 26 gedichten telt de bundel, zoveel als er letters van het alfabet zijn. Tel je het allerlaatste gedicht niet mee, dat in feite een motto is (Nescio’s “God mag nix kosten”), dan zijn er twee keer twaalf gedichten die gespiegeld worden in het middengedicht. Dat middengedicht bestaat uit zinnen waarin het woord vier in verschillende varianten voorkomt, zoals “viering”, “vierendelen” en “vierrittenkaart”. Het sluit aan bij de vier stemmen van vier collega-dichters die deze stijlvol vormgegeven bundel op de bijgeleverde cd voordragen. Het getal staat gelijk aan het aantal auteurs dat het leven van Jezus Christus (wordt hij bedoeld met “de heer die per abuis zijn eigen bratwurst had ingeslikt”?) op schrift stelde (…) Onze Nietzsche is in de eerste helft van het gedicht nog “trendsettend in een middelgroot bedrijf” en stuurt “zijn volkswagen” soepel de wasstraat in, al baart de “interne audit” hem zorgen. In het tweede deel gaat hij failliet, verschijnen er “donkere wolken” boven “zijn welvaart” en staat hij aan de rand van de “vleselijke instorting” als gevolg van “toxische kredieten”(…) Onze Nietzsche vormt een hoogtepunt in Marc Kregtings oeuvre, dat eerder een overkoepelend doel dan thema heeft: de bevrijding van de taal uit haar massale tewerkstelling in de heersende gemeenplaatsen. Beschouwde Kregting zichzelf in zijn debuut De gezel (Perdu, 1994) nog nadrukkelijk als leerling, dan heeft hij met Onze Nietzsche de graad bereikt van meester’ (Daniël Rovers, Ons Erfdeel)



Gebloemleesd:
‘Onze Nietzsche was een heer’, in: Kees ’t Hart, De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2016. Arbeiderspers: Amsterdam/Antwerpen, 2016

Vertaald:
O fatale aantrekkingskracht’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben)

Video door Nikolaas Demoen met gitaarimprovisatie door Joris Vercammen, Poëziecentrum, Gent (2013)

Nominatie Herman de Coninckprijs 2016

vrijdag 20 juni 2014

Uitsluiting (2014)


Absolutistisch antiracisme. Een paar gedachten


In zijn imposante studie Massa en Macht klaagde Elias Canetti dat hij zich vanuit huis deelnemer wist aan openbare executies. Dat was vanwege het openslaan van de ochtendkrant. Ruim vijftig jaar later serveert het internet vanuit elke standplaats dag en nacht terechtstellingen. Een recent voorbeeld is het wel en wee rond een vermeend racistische sportcolumn van Hans Vandeweghe, culminerend in een publieke opzegging van het mediapartnerschap met zijn krant De Morgen door cultuurhuis KVS.
Het voorval leek het verzadigingspunt van aantijgingen, die door de aanstichters niet weerlegd werden. Ik benijd scribenten die Vandeweghe’s column oprecht als racistisch bestempelden. Dat mijn vermogen tot het uitspreken van zo’n ondubbelzinnig en overzichtelijk vonnis tekortschiet, komt mogelijk door vakidiotie. In literatuur en literatuurwetenschap zijn zulke gevallen nog altijd niet opgeklaard (radicaler getreiter van Gerard Reve verleidde Mulisch tot het boekje Het ironische van de ironie). Hoe elastisch is het begrip ‘racistisch’? Wanneer eindoordelen als over Vandeweghe het resultaat zijn, zou met het werk van vele ‘foute’ annex ‘collaborerende’ auteurs nogal een bodem onder het totale corpus teksten worden weggeslagen.
Vandeweghes bespiegelingen over Afrikaanse sporters, desgewenst gevoed door anekdotisch beeldmateriaal, vallen voor mij, Hollandse middenstander, vooralsnog onder het genre-Brusselmans, mogelijk uit de school van Humo. Maar al geef ik die indruk meteen cadeau voor een betere, ze verandert niets aan de stellingenoorlog die de affaire ontketend heeft – dwars tegen de goede bedoelingen van de mensen die een daad wilden stellen of die lucht gaven aan hun verontwaardiging. Wie vochten er allemaal in mee?

woensdag 30 april 2014

Elite tegen elite (2013-2014)



‘U vraagt, wij bakken.’ Tolstoi en Komrij tegen de elite


Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Wat is kunst? In dat pamflet, waarvan een eerste, gecensureerde versie tussen 1897 en 1898 artikelsgewijs uitkwam, verwerpt de Russische auteur Lev Tolstoi kunst voor een klein, hoogontwikkeld publiek. Het vermeit zich nota bene met de kleren van de keizer, terwijl de wereldbevolking die nonsens mag faciliteren. Dichtbij lijken ineens anti-intellectuele en anti-elitaire tendensen, bevestigd door tenentrekkende wijsheden: ‘De behoefte om emoties te communiceren is de drijfveer van een echte kunstenaar, zoals de liefde dat is voor een moeder om zwanger te worden’. Ze passen in een pleidooi voor christelijke kunst. Het wil een brede gemeenschap van de meest uiteenlopende pluimage dienen en verenigen. Dan doen deze argumenten behalve actueel nogal urgent aan.
In de diagnose van huichelarij, belangenverstrengeling en miscommunicatie tegen een zwijgende meerderheid overlappen Tolstoi’s opvattingen die van Gerrit Komrij. Met name de ruim een eeuw later verschenen columnbundel Kunstwonderen. Op zoek naar de drijfveren van de moderne kunstmarkt en van de terreur die design heet dringt zich op voor een vergelijking. Beide auteurs hebben een talent voor selectief waarnemen en vertekenen, dat hen niet verhindert reële problemen bloot te leggen. Elk behandelt op eigen wijze het maatschappelijk belang van kunst. Zelfs wanneer ze daarbij een mateloos gevoelige antenne beweren te hebben voor wat ‘het volk’ wil en kan, valt hun kritiek niet als ‘populistisch’ terzijde te schuiven.

vrijdag 31 mei 2013

Koffie. Een doeboek (2013)


ISBN 978 90 284 2492 0, 400 blz.
Grafische vormgeving Siebe Bluijs



Ik ben genezen. Mijn vertrouwen in de wetenschap stond op en begon te wandelen. Dit na een bericht over linguïstisch onderzoek naar de eerste woorden van Neil Armstrong in 1969 bij het betreden van de maan. Daarbij gaat het niet om de felicitatie die hij volgens apocriefe bronnen aan zijn buurman van weleer richtte, maar om zijn vergelijking tussen mens en mensheid – om de vooruitgang die zou zijn geboekt. Naar nu blijkt was Armstrongs one small step toch niet ‘for a man’ maar ‘for man’. Hij verkleinde zichzelf al vergrotend.
Nog los van het krakkemikkige contact is bij die conclusie rekening gehouden met zijn Ohioaans accent. Lang had men wegens een zacht uitgesproken ‘a’ in de zin een soort gat horen vallen. Maar uit een spectografische afdruk van de originele magnetische tape van de Apollo 11, geoptimaliseerd met de recentste audiotechnieken, bleek daar helemaal geen plaats voor te zijn. Man. In het vuur van het ogenblik had Armstrong door die omissie onbedoeld nadruk gelegd op het verschil met mankind, vreemd genoeg door een equivalent (waar vanaf de aarde lacherig over is gedaan). Hij schiep een bedwelmende ritmische parallellie, tevens de reden waarom de zin soepeltjes in het geheugen plaatsnam.
Hoe kwaliteitsvol de astronaut sprak, kan slechts blijken uit een vergelijking. Bijvoorbeeld met de Tsjech Václav Klaus, president, die vreesde dat zijn land in de Europese Unie zou ‘smelten als een suikerklontje in de koffie’.
Terzijde genas ik van nog een kwaal. Uit zijn lichaamstaal en spraakpatronen is afgeleid dat Armstrong zijn catchphrase spontaan heeft geuit, of tenminste zelf verzonnen. Daarbij was hij goed bij zijn hoofd, wat ter plekke niet gemakkelijk is want zeker daar moet de zon niet te dichtbij zijn. Hij is niet ingefluisterd door zijn opdrachtgever NASA, of desnoods door het Witte Huis. Voor wie een fictieserie als The West Wing aannemelijk acht omdat de plaatselijke Václav Klaus voortdurend tussen pr-mensen en ghostwriters acteert en pas in de tweede jaargang eventjes in beeld komt bij zijn kabinet, is dit lastig om te geloven, maar het is nu bewezen.
Wel bleek ik de vakliteratuur niet goed te hebben bijgehouden. Neil Armstrong was namelijk niet de eerste op de maan. Er zat al een man, de oppasser Piggelmanus. Deze was niet bepaald het zonnetje in huis, want hij verlangde hevig naar koffie. Dat ontdekten ter plekke Piggelmee en Tureluur, verslaggevers en zelf woonachtig in een Keulse pot, die erg veel zin hadden in een bepaalde drank.


Koffie is de enige drug die overal legaal gebruikt wordt. Ze brengt troost, schept gezelligheid, lijmt brokken, maakt wakker en er wordt veel geld mee verdiend. In dit boek vertelt Marc Kregting het grote verhaal van koffie, dat hij op smaak brengt met kleine anekdotes. Wie spreekt van de bekendste boon ter wereld, heeft het over harde dagelijksheid en zijdezachte liefdes. Koffie is een tragikomisch feuilleton dat begint bij de kredietcrisis in 2008 en wordt afgewisseld door polemiek en handige weetjes.
Koffie neemt de lezer mee op een hilarisch avontuur langs gezondheid, politiek en geschiedenis. Ridder Ivanhoe legt uit hoe Starbucks zo groot kon worden. Zelf ontdekt Marc Kregting dat in het beroemdste gedicht uit de Nederlandse literatuur doping wordt gebruikt, en dat in 1950 twee meisjes te Stavoren de koffiemolen hebben begeerd waarmee Anders Breivik zijn bommen maakte. Hadden plots ontploffende Senseo-apparaten daar ook wat mee te maken? En waarom gaf Hugo Claus toch aan Jan en alleman ‘de eerste druk van de Max Havelaar’ cadeau? Soms verandert zelfs cafeïnevrij Engels, hét dialect van de eenentwintigste eeuw, in de allerindividueelste espresso.

‘Verwacht vooral geen klassieke geschiedenis van het kopje troost. Of wat uitleg over hoe je nu best koffie zet, drinkt of maalt. Weet wel dat Kregting je nu en dan in de maling neemt. Tussen alle sérieux in. Of is het andersom?’ (Fred Braekman, Knack)
‘In het zeer origineel vormgegeven boek Koffie dist Marc Kregting talloze anekdotes en weetjes op, die hij op unieke wijze met elkaar verbindt. Koffie is een heerlijke dosis reportages, gedichten, koffiekortingsbonnen, vragen, feuilletons en illustraties met in de hoofdrol koffie in alle soorten en maten.’ (Saskia Balmaekers, Ciaotutti)
‘Kregting heeft er een virtuoze afrekening met het postmodernisme van gemaakt, potsierlijk en humoristisch, in een veelheid van stijlen geschreven. U moet het wel even uitpakken voordat u van zijn stijl, zijn vorm en zijn inhoud kan genieten.’ (CoffeePro)
‘In dit mooie boek brengt Marc Kregting met veel humor het grote verhaal van koffie, met tussendoor anekdotes, quizvragen, gedichten en illustraties. Een aanrader.’ (Dag allemaal)
‘een caleidoscopische verkenning van het koffie-universum (…) een speelse, intrigerende, bijwijlen ongrijpbare collage (…) een boek over alles, dus ook over koffie (…) theedrinkende politici worden tegenover koffiedrinkers geplaatst en ook lekker bij de voornaam genoemd (…) een eenentwintigste-eeuwse Eduard Douwes Dekker (…) dit precieuze en waardevolle doeboek’ (Manuel Duran, Streven)
‘Ideaal salontafelboek, om het ijs te breken met de visite, en om van te genieten.’ (Gazet van Antwerpen)
‘als lezer van de bij vlagen zeer persoonlijke teksten krijg je de indruk dat de schrijver geregeld stevig onder de invloed van koffie verkeerde. Hij is daardoor creatief met koffie, ja, maar ook wel vermoeiend en geregeld flauw.’ (Gooi en Eemlander)
‘Niks kom je te weten over hoe een ristretto zich laat bereiden, waar je koffiebonen het best kunt bewaren of welke melk geschikt is. (…) een eindeloze stroom woorden, met af en toe een lezenswaardig weetje. Kregting schijnt bovendien iets te hebben met de senseo-liefhebbende Geert Wilders en Ulrike Meinhof. Hij komt er zo vaak op terug, dat je je afvraagt: waarom moet ik dit weten? Kregtings voorbeeld Multatuli werd in het negentiende eeuwse Friesland mateloos populair. Zelf moet hij nog even dieper.’ (Jaap Hellinga, Leeuwarder Courant)
‘Hoe vaak hij ook lijkt te herhalen dat het koffie is waar de wereld om draait, de wereld draaide ook al vóór de mensheid in de zeventiende eeuw koffie ging drinken. (…) Het mooie is: dit literaire procedé levert verbijsterende verbanden op, die zich vaak op de grens van humor en meligheid bewegen.(…) Boeken zoals Kregtings Koffie – bijeengehouden door een rode draad van kunstzijde – hebben noodzakelijkerwijs een springerig karakter. Buitelen en bokkensprongen, dat werk (…) Men mag rustig zeggen dat Koffie helemaal geurt naar Multatuli’s werken. (…) De overeenkomst ligt in kritische houding jegens tijdsverschijnselen, filosofische afstand, een zeker encyclopedisme (veel feiten en cijfers), genoemde springerigheid. Dat Kregting Multatuli niet in stijl kan evenaren, nu ja, dat lukt ook maar zeer weinigen (…) een van de raarste, meest inspirerende en leukste boeken van de laatste tijd’ (Atte Jongstra, Ons Erfdeel)
‘De veelheid aan onderwerpen is meteen ook wel de grootste zwakte van het boek.(…) “Koffie” bevat zoveel verschillende onderdelen, die samengevoegd zijn zonder echt veel samenhang - behalve dan het feit dat ze allemaal ergens wel iets te maken hebben met het zwarte goedje. (…) Bovendien is het taalgebruik dat Kregting hanteert niet altijd even gemakkelijk om te verwerken, het strookt ergens niet met de lichte samenstelling van het boek. (…) Maar, het boek is doordrongen van een liefde voor koffie, dat valt niet te ontkennen.’ (Sarah Juchtmans, Cutting Edge)
‘Het lijkt op een almanak of een winterboek – maar het is er ook meteen een parodie op. Behalve een boek over koffie is Koffie ook een boek over genres, en over het spelen daarmee. Het speelt daarnaast ook een spel met Max Havelaar. En net als bij Multatuli heeft de afwisseling van al die stemmen een erg levendig en geestig effect. Je kunt het beter ergens openslaan – dan vind je altijd wel iets interessants. Koffie is een duizelingwekkend boek. Het geeft lering en vermaak – en warhoofdigheid. Ik zie te veel invallen om een grote lijn te ontdekken en te veel vermommingen om nog te willen weten wie er zich achter schuilhoudt. Toch blijkt uit alles ook dat Kregting heel goed en soepel kan schrijven, in allerlei genres en in allerlei stijlen. Hij is een stilist, maar nog op zoek naar een onderwerp.’ (Guus Middag, NRC)
‘deze turf is een boeiend en afwisselend boek geworden, dat ook niet perse van a tot z moet gelezen worden maar dat je lukraak kan openslaan. (…) Prima cadeauboek, niet voor op het nachtkastje, maar voor bij de koffie.’ (Roger Nupie, De VVL-Boekhouding)
‘Interessant zijn de essays, de feuilletons en de zogenaamde “lezersreacties”. In de laatste teksten weerlegt de schrijver vooral met feiten de beweringen van zijn alter ego Otto. Als Multatuli’s Pak van Sjaalman een rijke bron met ideeën, verhandelingen, overwegingen, anekdotes en kritische reacties op wat de schrijver in verband brengt met koffie. Zorgvuldig gedocumenteerd in “Aantekeningen en ophelderingen”. Zeer gevarieerde bundel.’ (Gerard Oevering, NBD Biblion)
‘een écht essayboek: dwarsig en zoekend, en over veel meer dan over koffie alleen. (…) Uiteraard kom je allerlei zaken aan de weet over koffie: waar ons bakje troost werd uitgevonden, hoe het aan z’n naam kwam, hoeveel mensen het drinken, wat de heilzame kracht ervan is, wat de bijwerkingen en gevaren zijn (eigenlijk geen, dus laat je niets wijsmaken!). Die facts en figures zijn evenwel slechts het uitgangspunt voor een dieper onderzoek naar de maatschappelijke rol van koffie, de beeldvorming en het discours errond. (…). Dat maakt het een bijzonder rijk en intelligent, maar ook een uitgesproken intellectueel boek (…) een stevig shot cultuurkritiek, stilistisch briljant en gebracht op een prettige, haast Barthesiaanse manier.’ (Carl De Strycker, De Leeswolf)
‘Net als Max Havelaar heeft Koffie een encyclopedisch en een even expliciet als desperaat politiek karakter (…) Tussen alle bevreemdende narratieve en stilistische kronkels door, bevat Koffie ook ontzettend veel feitelijke gegevens, aangevuld met veeleer ideologische overwegingen, die de lezer in staat kunnen stellen om zijn eigen politieke positie te bepalen. (…) Het literaire karakter van de essayistiek in Koffie blijkt niet alleen uit het kundig verweven motief koffie, ook de schrijfstijl is in beschouwende passages op en top die van de prozaschrijver Kregting. Die stijl komt het louter informatieve gehalte van de tekst niet ten goede. (…) Welke meerwaarde heeft Kregtings literair opgewaardeerde – of verduisterde – parafrase boven een handige publieksgerichte samenvatting of boven de oorspronkelijke tekst? (...) Koffie is een ambitieus boek, dat bij mijn weten in de Nederlandse literatuur zijn gelijke niet kent. De combinatie van een volstrekt singuliere schriftuur en een hoogst eigenaardige vorm van literaire onderzoeksjournalistiek maakt van Koffie een origineel en belangrijk boek.’ (Sven Vitse, DWB)
‘Sterk gespecialiseerde literatuur zal een deel van het lezerspubliek onverschillig laten, irriteren of gewoonweg nooit bereiken. Mooie voorbeelden hiervan zijn het zeer maatschappijkritische Koffie. Een doeboek van Marc Kregting of het nagelaten poëtische oeuvre van Jeroen Mettes. Hoe waardevol deze experimentele praktijk ook is, het zou verkeerd zijn haar als norm te stellen.’ (Sven Vitse, nY)

vrijdag 1 februari 2013

Multatuli (1997-1999, 2006-2013)



‘Begrypen is genot’. Inmenging en versmelting in Max Havelaar



1. Inleiding
Uit literatuur stijgt heel wat commentaar op van vertellers, maar moet die kunst daarbij haar grenzen kennen? Uitspraken over de alledaagse wereld kunnen stokpaardjes van de auteur uitserveren die de vrijheid van interpretatie inperken. Ze verbreken bovendien de verhaallijn en storen zo de suspension of disbelief. Dat ethische en formele kwesties dus onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, blijkt ook uit Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy, Multatuli’s fameuze boek waarvan een eerste uitgave in 1860 verscheen. Aan het slot worden, formeel, de personages uit de plot geveegd. Multatuli neemt de pen op. Hij geeft te kennen wat hij vindt en wat er, ethisch, moet veranderen. Met die intentie, en ik citeer uit de op de dubbel aangevulde uitgave van 1881 gebaseerde editie-Kets (1992), offert hij het voorgaande: ‘Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel’ (235).
Max Havelaar dient als middel. Catalogiseert men de tekst als roman, dan wordt hij een roman à thèse. De ‘vorm’ valt te verbinden met de omweg van de fictie, waarin er tussen de vele personages twee, de titelheld en Sjaalman, zijn te identificeren met de auteur. Het boek ambieert een buitenliterair effect: verbetering van de positie van de Javaan én rehabilitatie van Multatuli, nom de plûme van voormalig assistent-resident Eduard Douwes Dekker. Van hem mag na zijn zelf aangevraagde ontslag te Lebak de vigerende situatie op de schop. Het woord moet daad worden, voor die boodschap gebruikt Multatuli kapitalen in de term HOOFDSTREKKING.[1]
Dergelijke machtsmiddelen liggen gevoelig bij wie niets dan de tekst wil onderzoeken. Sötemann hield in zijn bewonderenswaardige studie van Max Havelaar volgens het esthetische dogma van eenheid, complexiteit en intensiteit bewust bij het punt van de buitenliteraire werkelijkheid op. Daarmee ontkende hij haar niet (zijn inleiding bevat zelfs een beknopte schets van de koffiehandel), hij stelde er alleen een andere benadering tegenover. Het was 1966, en Sötemann wilde ruimte scheppen voor een structuralistische literatuurbeschouwing in de Lage Landen (Goedegebuure/Heynders 1996: 67). Als hij bij het slot van Max Havelaar ‘een haast onbehaaglijk reële indruk’ (1966: 106) krijgt, verraadt de opeenvolging van bijvoeglijke naamwoorden onder welke vlag zijn studie geschreven is. Werd daarover al tamelijk snel bericht (Van der Paardt 1978), ondergesneeuwd blijft wat een referentiële ambitie zoals Multatuli die had, met literatuur doet en met de wereld.
Van buitenaf valt alvast te signaleren dat eind 2006, als radertje binnen De canon van Nederland, Max Havelaar toch vereeuwigd is als aanklacht tegen wantoestanden in Indië: ‘Het boek is inmiddels in meer dan 140 talen uitgegeven en werd in 1999 door de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de New York Times betiteld als “The Book That Killed Colonialism”.’ Interessant, tot in hun nickname, zijn twee virtuele reacties daarop:

Re: Max Havelaar
Ach kijk eens aan! De invloed van de PvdA is weer zichtbaar in de klaslokalen. Nutteloze onzin. Leer die kids maar eens iets over de 80 jarige oorlog; dát was namelijk WEL DEGELIJK belangrijk voor de ontwikkeling van Nederland.
Douwe Egberts op 17 oktober 2006

Re: Max Havelaar
Het boek de Max Havelaar werd al in de klaslokalen besproken voordat de PvdA bestond.
Het verhaal speelt zich af in de periode van het cultuurstelsel.
De Indonesische boren werden gedwongen een deel van hun land te verbouwen met producten waar Nederland veel geld aan kon verdienen.
Boeren moesten harder werken om hun normale voedseloogst daarnaast te kunnen binnenhalen..Wat niet altijd lukte
Ondermeer werd het nederlandse spoorwegnet met deze winsten aangelegd en slavenhouders in de West werden afgekocht hiermee toen eindelijk het verbod op slavernij werd ingesteld..
Het "bezit" van Indonesie is zeer wel een factor geweest in de ontwikkeling van Nederland.. en het hoort bij de vaderlandse geschiedenis.
Te snappen is dat iemand die vooral "nationale trots" zoekt voor het opkrikken van de eigenwaarde liever dit niet wilt horen
Indisch4ever op 18 oktober 2006[2]


Hoewel elk boek diverse interpretaties kan losmaken, liggen de overtuigingen zelden zo ver uiteen als hier. Er staan behalve poëticale opvattingen kennelijk belangen tegenover elkaar, van groepen, wat het des te problematischer maakt om, zoals verknochte lezers doen, te spreken van ‘de Max Havelaar’. Of het nu gaat om automutilatie of kannibalisme, de onophefbare kritische spanning zit natuurlijk al in het slot dat, zoals Vervaeck aangaf,[3] met het opnemen van de pen de pen verbeurd verklaart. Wel is Multatuli’s boek sinds 1988 naamgever van het fairtrademerk, dat in de Googlehiërarchie zelfs vóór zijn bron is gedrongen. Wat is er gebeurd?

woensdag 23 januari 2013

Koffie: de groslijst (2005-2012)





‘Aan tafel. 8 ladychefs in de kleren’, De Standaard Magazine 23-1-2010
Jan-Frederik Abbeloos: ‘George Clooney drinkt thee’, De Standaard, 11-10- 2012
Hans Abbing: Van hoge naar nieuwe kunst. Historische Uitgeverij: Groningen 2009
Ludo Abicht: De Verlichting vandaag. Houtekiet: Antwerpen/Amsterdam 2007
Hans Achterhuis: Politiek van goede bedoelingen. Boom: Amsterdam 1999
Hans Achterhuis: Met alle geweld. Een filosofische zoektocht. Lemniscaat: Rotterdam 2008
Achterklap Foto's - 23 oktober 2008’
http://www.ad.nl/koffietest/
Theodor W. Adorno: Minima Moralia. Vertaald door M. Mok. Spectrum: Utrecht 1971
Remieg Aerts: Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie. Bert Bakker: Amsterdam 2009
A.F.Th.: Het schervengericht. Querido: Amsterdam 2007
http://www.ah.nl/perla/
http://www.aholdcoffeecompany.nl/nl/
Wilma van den Akker: Nageljongenstraat. Holland: Haarlem 2008
Alain: Over het geluk. De Prom: Baarn 1996
http://alembert.fr/index.php
Alzheimer Nederland: ‘Waar drinkt u koffie uit?’, NRC, 23/24-8-2012
Haroon Ali: ‘Fietsen op gereclyclede koffiecups’, de Volkskrant, 6-11-2010


dinsdag 15 mei 2012

Het onvoltooide (2011-2012)


1.

‘Er is altijd een beter motto’
(Anonymus, 11e eeuw)


Op een grappige manier bevredigt het onvoltooide gedicht een vraag naar reality. Het is nog van alles aan het passen, wanneer het wordt betrapt door de buitenwereld zonder zich zelfs maar in iets toonbaars te hebben kunnen hijsen. De onberispelijk afgeklede drukletter is niet nabij. Het gedicht staat nog in potlood, zodat er wijzigingen door te voeren zijn die in het radicaalste geval kunnen leiden tot volledige verdwijning onder de bruutheid van de gum. Mochten er ambitie en gelegenheid zijn geweest om het af te maken, dan was er iets verloren aan gegaan: het vermogen te kunnen veranderen. Die verandering is niet neutraal, blijkt uit twee literaire benamingen voor het onvoltooide. Uit statu nascendi valt af te leiden dat er iets groters op komst is. Indachtig de aristotelische teleologie, een doelgerichtheid volgens welke de bal altijd in het netje gaat, zal het kind als onvoltooide volwassene rijpen. En work in progress verraadt dat er in de verandering verbetering of zelfs vooruitgang te bespeuren is, of die nu op esthetisch of ethisch vlak ligt.
Aan het bestaan van auteurs, en de mensheid in het algemeen, valt minder te veranderen. Zelfs Michael Jackson wist met peperdure zuurstoftanks op zijn ranch Neverland het eeuwige leven annex de voltooide tijd niet te implementeren. De dood, in rouwadvertenties vaak gekoppeld aan het motto ‘Het is volbracht’, valt buiten de menselijke invloedsfeer. Voor een kunstwerk moet voltooiing de dood zijn, toebehorend aan musea, waar fixeerlagen van het onveranderlijke zijn aangebracht. Maar literatuur geldt toch als een onuitputtelijke bron, voor lezers én schrijvers? De sonnetten van Shakespeare bleken niet meer definitief, nadat ze in handen waren gevallen van K. Silem Mohammad. In zijn Sonnagrams husselt deze de letters van het klassieke materiaal door elkaar, waarna de restanten de titel vormen. Zo kan Sonnet XLII ‘That thou hast her, it is not all my grief’ in de eenentwintigste eeuw metamorfoseren tot ‘Sheriff Ed Rebuffed Her (“Hey, Hey, Hey, Hey, Hey!”), Then He Fell’. Punt is alleen dat dit resultaat zelf weer bevriest.
In het onvoltooide kunstwerk botsen moleculen echter continu alle kanten op omdat hun training nooit afloopt – caught in the act! De handeling voltrekt zich schijnbaar nog in een werkplaats. Men spreekt van een denkbeweging. Die term is ook gegeven aan nagelaten dagboeken van Ludwig Wittgenstein, in bezit geraakt van zijn zus, en moet dus bedoeld zijn als een karakteristiek. Daarbij luidde het dat filosofische notities waren vermengd met persoonlijke bespiegelingen zodat er, naast een scherper beeld van de mens, een vage samenhang en continuïteit kon oprijzen met Wittgensteins spaarzame officiële werk. ‘De denkbeweging in mijn filosoferen zou je terug moeten kunnen vinden in de geschiedenis van mijn geest en van de zedelijke begrippen daarin & in het begrip van mijn situatie.’ Soepeltjes kwam die taal niet op papier. Volgens de bezorgers van de Denkbewegungen is er een worsteling gaande, een innerlijke nood die bij de verwoording stuit op de grenzen van wat (menselijk) gezegd en (wetenschappelijk) verklaard kan worden. Aldus heten die dagboekaantekeningen intens en authentiek. Een tot één zin samengebalde herinnering aan Clara Schumann staat er met een tussenpoos van negen maanden tweemaal in. Het ontplooide denken blijkt nooit verstard en vernieuwt zichzelf voordurend, iets wat tot uiting komt in een veelvoud van varianten en versies, inclusief een geheimschrift waarvan de code overigens makkelijk te kraken is.
Is een denkbeweging daarom ook bijzonder in relatie tot het onaffe? Tekent dat niet eerder een zekere gemakzucht of is het een goedkope manier om door suggestie eventjes wat geld te verdienen?

woensdag 25 april 2012

Hans Groenewegen (2012)



Driemaal heeft Hans Groenewegen nu een selectie uit zijn kritieken en kronieken over poëzie gebundeld. Met schrijven zin verzamelen vind ik een belangrijk boek, maar het stemt me ook weemoedig. Het lijkt een afscheid van een tijd waarin literatuurbeschouwers een dialoog mochten aangaan met teksten. Maar papieren media zien hier geen heil meer in.
Groenewegen toont wat leesoefening inhoudt. Dat is avontuurlijk en leerzaam, zonder dwang. Omdat Groenewegen beschrijft hoe zijn ervaringen met een gedicht voortschrijden, worden ze behalve controleerbaar ook betwistbaar. Dit kan als zwakte worden opgevat, in termen van ‘Laat die man eens ophouden met over zichzelf te praten’. Maar die man blijkt over gedichten te praten, en zichzelf als proefdier te gebruiken.
Heeft iemand die denkt zoiets beter te kunnen daar nu gelegenheid voor?